Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst
LJN: BK2097,Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch , 649452
Uitspraak: 30-10-2009
Werknemer (eiser) is sinds 1 januari 1999 in dienst bij Salto Re-Integratie B.V. (verweerder) en is 62 jaar oud. Salto heeft op 7 juli 2009 een ontslagvergunning aangevraagd en heeft deze op 26 augustus verkregen. Salto heeft werknemer vervolgens per brief op 27 augustus de arbeidsovereenkomst met werknemer per 1 november opgezegd. Werknemer vraagt hier eerdere ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan. Hij grondt zijn verzoek op de stelling dat er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden , bestaande uit gewijzigde omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd dient te beëindigen. Werknemer begrijpt dat zijn arbeidsplaats komt te vervallen, maar stelt dat van deze omstandigheden aan hem geen verwijt kan worden gemaakt. Hij vraagt een vergoeding aan van €109.030. Hij stelt dat het moeilijk is om op de huidige markt een baan te vinden, zeker voor een 62 jarige, eenzijdige opgeleid persoon. Tevens verliest hij 50% van zijn salaris doordat hij op een uitkering is aangewezen en verliest hij zijn lease-auto, telefoon en wordt zijn pensioenbreuk niet gecompenseerd. Verweerder stelt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat enige reden hiervoor een vergoeding is. Er is geen sprake van een gewijzigde omstandigheden voor ontbinding per 1 november 2009. Toekenning van een vergoeding zal leiden tot faillissement en verlies van nog 147 arbeidsplaatsen. Verweer dient in een veel te korte tijd te worden beoordeeld door de rechter. Tevens stelt hij dat de vergoeding in een procedure op grond van art. 7:681 BW gevorderd dient te worden.
De rechter is van oordeel dat de werknemer vrij staat aan zijn verzoek tot ontbinding dezelfde omstandigheden ten grondslag te leggen als Salto aan de aanvraag tot de ontslagvergunning heeft gedaan. Hij stelt dat het aannemelijk is gemaakt dat Salto’s financiële situatie niet rooskleurig is, maar dat nog niet aannemelijk is gemaakt dat er geen ruimte is voor vergoeding. Hij stelt echter dat de werknemer te lang heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek. Het normale termijn voor een dergelijk verzoek is 8 weken, op dat termijn bestaat de huidige arbeidsovereenkomst al niet meer. De rechter dat er niet genoeg tijd is voor de werknemer of de rechter om zorgvuldig de stukken te bestuderen, het verzoek wordt daarom afgewezen.
Vaststelling verkoopwaarde
LJN: BK1912, Rechtbank Dordrecht , 73475 / HA RK 07-2077
Uitspraak: 28-10-2009
Art. 10 t/m 20 Wet Voorkeursrecht gemeenten
Verzoeker is eigenaar van 2 perceelgedeelten landbouwgrond, hierop is door gemeente en voorkeursrecht gevestigd. Verzoeker heeft perceelgedeelten aan de gemeente te koop aangeboden, maar zij konden het niet eens worden over de prijs. De rechtbank heeft op 15 februari 2006 een deskundige benoemd om een prijsadvies te geven. Op 28 augustus 2007 geeft de deskundige een gezamenlijk prijsadvies voor de twee perceelgedeelten ten hoogte van €1.328.200,--. Verzoeker had hierop rechtbank verzocht om een oordeel te geven over het prijsadvies. Een deskundige taxeert de verkoopwaarde op €1.488.500,--. Er heeft tot op heden nog geen verkoop plaatsgevonden. Verzoeker stelt dat een redelijk termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden op grond waarvan verzoeker schadevergoeding claimt. Verzoeker verzoekt op deze gronden: vast te stellen dat de procedure in art. 10 t/m 20 Wvg niet voldoet aan de eisen van een effectief rechtsmiddel, omdat geen hoger beroep mogelijk is en de Staat als belanghebbende toe te laten omdat zij jegens verzoeker schadeplichtig is. Tevens stelt hij dat de objectiviteit en onafhankelijkheid voor hem niet te controleren zijn. Hij wil iemand die in de afgelopen jaren geen opdrachten voor de gemeente heeft uitgevoerd. Verzoeker stelt dat er sinds de laatste taxatie belangrijke nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, zodat ander onderzoek moet plaatsvinden, bij voorkeur door drie deskundigen. De verweerder verzoekt eveneens een andere opdracht te verlenen teneinde de actuele grondwaarde vast te stellen.
De rechter oordeelt dat enkele het feit dat er geen hoger beroep mogelijk is onvoldoende is om te oordelen dat de procedure niet voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM aan een behoorlijke procedure stelt. Het staat niet vast dat de Staat verantwoordelijk is voor de lange duur van de procedure evenmin dat de verzoeker hier nadeel mee heeft ondervonden. Dit verzoek moet dus worden afgewezen. Een deskundige van de rechtbank dient terzake deskundige te zijn en vrij te staan ten opzichte van de partijen. De rechter stelt dat een deskundige door de griffier hierover ook ondervraagt wordt. De verzoeker vraagt om een integriteitonderzoek, maar de rechter acht dat deze eisen te ver gaan. Beiden partijen wensen een actualisering van de vastgestelde waarde. Dit verzoek wordt toegewezen, omdat de feitelijke situatie inmiddels is veranderd.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
LJN: BK1657,Sector kanton Rechtbank Leeuwarden , 295224 \ VZ VERZ 09-435
Uitspraak: 30-10-2009
Art. 7:685 BW
Verzoekster (Friesland Bank N.V.) verzoekt ontbinding van arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen. Werknemer (verweerder) is 59 jaar en sinds 2 april 1973 in dienst bij Friesland Bank. Friesland Bank stelt dat zij momenteel een reorganisatie aan het doorvoeren zijn om haar concurrentiepositie te verbeteren, hierbij vervalt de positie van de verweerder. Friesland Bank stelt dat er geen passende functie is, om werknemer elders binnen de organisatie te kunnen herplaatsen. Friesland Bank verzoekt ontbinding per 15 februari 2010, onder toekenning van een vergoeding van €163.449,40 bruto. Werknemer zit momenteel nog in een herplaatsingtraject en er bestaat nog mogelijkheid dat werknemer binnen die tijd een plaats kan betreden. Om onherroepelijkheid van ontbinding te voorkomen, verzoekt Friesland Bank om haar de ontbindingsbeschikking te geven het verzoek uiterlijk op 1 februari 2010 in te trekken. Zij stellen dat er sociaal afgesproken is dat de ontbindingsprocedure op tijd opgestart zal worden, zodat op einddatum van herplaatsingtraject de arbeidsovereenkomst beëindigt wordt. Werknemer stelt dat hem van de verandering in omstandigheden geen enkel verwijt kan worden gemaakt en heeft Friesland Bank bij de reorganisatie onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Verweerder verzoekt tot afwijzing van het verzoek, subsidiair tot toewijzing conform het gestelde in verzoekschrift.
De rechter oordeelt dat iedere partij zich conform art. 7:685 BW tot de rechter kan wenden om een arbeidsovereenkomst om gewichtige redenen te beëindigen. Er is hier dus geen sprake van een opzegverbod. De werknemer is nog in een herplaatsingtraject en de kans bestaat dat het lukt om werknemer te herplaatsen. Als dat niet lukt, dan is er sprake van verandering in omstandigheden om ontbinding te rechtvaardigen. De gemachtigde van Friesland Bank heeft bevestigt dat herplaatsing zich in dergelijke situaties al heeft voorgedaan. Rechter is daarom van oordeel dat hij niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zich ten tijde van de verzochte ontbindingsdatum een zodanige verandering in omstandigheden voordoet dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Ontbinding kan om deze reden niet worden uitgesproken.
Onrechtmatige daad
LJN: BK1632,Sector kanton Rechtbank Maastricht , 339482 CV EXPL 3039-09
Uitspraak: 28-10-2009
Art. 6:162 BW
Op of rond 21 september 2007 te Hulsberg, zijn onder leiding van gedaagde graafwerkzaamheden verricht als gevolg waarvan 1 of meerdere telefoonkabel(s) van KPN is (zijn) beschadigd. KPN voert dat schade als gevolg van onrechtmatige daad aan de gedaagde toegewezen dient te worden. Gedaagde heeft volgens eiser niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen aangezien hij niet, althans onvoldoende, heeft onderzocht of er te plaatse kabels aanwezig waren. Na waarschuwingen van leidingbeheer en “het maken van proefsleuven” had gedaagde schade aan de aanwezige kabels kunnen verwachten als gevolg van “mechanisch graafgeweld”. Gedaagde betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld. Hij stelt dat kabels volgens NEN-normen op 60 centimeter diepte dienen te liggen. Gedaagde is pas begonnen met afgraven van een 120 centimeter boven het maaiveld uitstekende “heuvel”toen hij ervan overtuigd was dat het veilig was. Bij de eerste hap was de kabel al geraakt. Deze lag 20 centimeter onder de oppervlakte van de heuvel, 180 centimeter hoger dan KPN had vermeld. Gedaagde stelt dat de ligging van de kabel niet overeen kwam met de door KPN overhandigde tekening. De kabel is waarschijnlijk door wortels naar boven en dwars geduwd, dus er is geen sprake van een onrechtmatige daad, maar van overmacht. Verder stelt gedaagde dat KPN voor minimaal 50% medeschuld heeft omdat zij niet de informatie heeft verstrekt die van haar verwacht mag worden. Eiser voert dat het een feit van algemene bekendheid is dat de Nederlandse grond dicht gekabbeld is. Degene die werkzaamheden verricht dient vooraf maatregelen te nemen om schade aan de kabels en leidingen te voorkomen.
De rechter oordeelt ten eerste dat degene door wiens schuld een eigendom van een ander beschadigt raakt is in beginsel verplicht de daardoor ontstane schade te vergoeden (art. 6:162 BW). Hierdoor moet de stelling dat de gedaagde geen schuld of slechts mede-schuldig is worden verworpen. De rechter stelt dat de gedaagde onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken wat de diepte ligging van het begin- tot eindpunt was. De gedaagde had ondanks foute tekeningen de kabel toch gevonden en had hier uit op kunnen maken dat de tekening niet klopte, hij had dus extra voorzichtig moeten zijn. Het blijft tevens onduidelijk waar de proefsleuf is opgegraven en wat de afstand tussen het begin en eindpunt was. Gedaagde was per brief gewaarschuwd dat het graven was afgeraden, maar de gedaagde was hier toch mee begonnen. De handeling is hiermee onrechtmatig en de schade vordering van KPN zal worden toegewezen.
Loondoorbetaling tijdens ziekte
LJN: BK1320,Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch , 646389
Uitspraak: 27-10-2009
Ex art. 254 Rv
Eiser is sinds 1 september 2001 bij gedaagde (Northgatearinso Nederland B.V.) in dienst als consulant en heeft in deze functie altijd goed gefunctioneerd. Op 4 juni 2009 heeft eiser zich ziek gemeld. Op 13 juni is door de arboarts bevestigt dat eiser arbeidsongeschikt is en dat deze beperkingen ontstaat ui een verlaagde mentaal emotionele draagkracht, waarbij eiser beperkt is in concentratie, het verdelen van aandachten stress- en conflicthantering. De arboarts heeft gesprekken tussen eiser en gedaagde geadviseerd om zijn voortgang en een plan van aanpak te bespreken, de eiser heeft geweigerd deze zonder mediator te houden. Op 27 augustus was een gesprek gepland met de mediator. Een dag voor deze afspraak melde eiser dat het wellicht beter was om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Op 31 augustus heeft gedaagde bericht gegeven dat loondoorbetaling wordt gestaakt wegens het niet meewerken van eiser met re-integratie. Eiser heeft gesteld dat hij met toestemming van de bedrijfsarts verlof opneemt van 11 tot 28 september en dat de afspraak met de bedrijfsarts moet worden verzet. Op 15 september bericht de bedrijfsarts dat er medisch gezien geen bezwaar tegen het opnemen van vakantie is. Eiser vordert bij wege van voorziening ex art. 254 Rv veroordeling van gedaagde tot betaling van het reguliere loon, zolang als de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt. Hij voert dat hij recht heeft op loondoorbetaling tijdens zijn ziekte en dat hij er geen sprake is dat hij weigert mee te werken. Gedaagde stelt echter dat zij recht had om loondoorbetaling te staken omdat eiser zonder deugdelijke grondt weigert mee te werken. Eiser heeft niet aan de mediation mee gedaan en is zonder toestemming op vakantie gegaan. Zolang en voorzover eiser zich niet houdt aan de voorschriften en controlemechanismen die nodig zijn om vast te stellen of hij daadwerkelijk ziek is hoeft gedaagde geen loon te betalen.
De rechter oordeelt dat eiser meegedeeld had niet in staat te zijn gesprekken met gedaagde te voeren, zonder voorbereiding en mediator, terwijl de arboarts echter het standpunt had dat hij hier wel toe in staat was. De eiser heeft tevens ook niet meegedaan aan het gesprek met de mediator en heeft dit afgeblazen door een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor te stellen. Gelet op de omstandigheden tekent het zich af dat eiser niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen zodat gedaagde loonbetaling mocht staken. De vordering is hiermee afgewezen.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
LJN: BK2771, Rechtbank Amsterdam , 1081027 EA VERZ 09-4498
Uitspraak: 29-10-2009
Art. 7: 670 lid 1 BW / art. 7:629 BW
Werknemer (verweerder) is 55 jaar oud en sedert 1 mei 1984 in dienst van Uitgeverij X (verzoeker). Hij vervult daar sinds 2006 de functie van leidinggevende. Vanaf juni 2007 heeft werkgever een aantal gesprekken met de werknemer gevoerd omtrent zijn functioneren, een en ander in samenhang met zijn alcoholprobleem. Werknemer was meerdere malen onder de invloed van alcohol aan het werk geweest. Eind 2007 is werknemer een behandelingstraject begonnen en heeft deze medio 2008 afgerond. Kort daarna kreeg hij een terugval, waarop werknemer aangegeven werd dat dit zijn laatste kans was en dat hier eind december een evaluatie over zou plaatsvinden. In het evaluatie gesprek zijn bepaalde afspraken neergelegd en bepaald dat als deze niet nagekomen zouden worden de werkgever genoodzaakt zou zijn om de arbeidsovereenkomst te beeindigen. In een functioneringsevaluatie werd aangegeven dat het veel beter ging met werknemer. Een psychologe melde dat werknemer het behandelingstraject succesvol had afgerond, kort daarna had werknemer echter weer een terugval. Hierop reageerde werkgever dat desondanks alle wederzijdse inspanningen er geen gewenst resultaat is bereikt. Op 27 juli is werknemer op non-actief gesteld, en 3 dagen later is hij meegedeeld dat er om ontbinding bij de kantonrechter gevraagd zal worden. Werknemer heeft zich hierna ziek gemeld en een bedrijfsarts bericht dat werknemer 100% arbeidsongeschikt is. Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verandering in omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd dient te eindigen. Zij voert dat de werknemer onvoldoende functioneert en ondanks ondersteuning niet is verbeterd. Er is sprake van een verstoring van arbeidsrelatie en daarom dient er geen vergoeding te worden toegewezen. Verweerder betwist de gewichtige redenen. Hij verzoekt vergoeding in het geval dat de rechter de ontbinding toewijst. Hij voert aan dat hij ziek is, hij heeft een structureel alcoholprobleem veroorzaakt door zijn scheiding. Hij wijst op het ontslagverbod tijdens ziekte. Hij stelt dat de werkgever niet goed met zijn alcoholprobleem is omgegaan en zorgplicht jegens hem heeft verzaakt.
De rechter oordeelt dat er geen sprake is van een ziekte zoals de werknemer aanvoert. De overgelegde stukken die ertoe wijzen dat alcoholproblemen een ziekte is vindt de rechter onvoldoende. Er is geen deskundige oordeel die er toe wijst dat de werknemer in die zin ziek is. Er is dus geen sprake van een ontslagverbod. De werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er verschillende werkgerelateerde incidenten hebben plaatsgevonden als resultaat van het alcoholgebruik dat negatief werkte op het functioneren van de werknemer. Er is niet gebleken dat werknemer de werkgever had geïnformeerd over spanning veroorzaakt door zijn werk. Het blijkt dat de alcoholproblemen reeds aanwezig waren voor zijn scheiding, maar hierna alleen maar zijn verergerd. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever, werknemer voldoende ondersteuning heeft gegeven en haar zorgplicht is nagekomen. Kort na zijn behandeling heeft de werknemer weer een terugval gehad. De rechter oordeelt dat de werkgever hierna terecht een wijziging in omstandigheden aangeeft en dat de arbeidsovereenkomst binnen een korte tijd dient te eindigen. De rechter oordeelt dat de werknemer niet zodanig heeft gehandeld dat hem geen enkele vergoeding behoort toe te komen. Hij heeft immers wel geprobeerd om zijn alcoholprobleem te verhelpen. Ook was de werknemer reeds 23 zonder problemen in dienst. Er wordt hierom een lagere vergoedingsfactor toegepast en een vergoeding wordt toegewezen.
