• Jan Duikerweg 5 • 1703 DH • Heerhugowaard
  • 072 7529484

Jurisprudentie Week 47

Betaling premie zorgverzekering

LJN: BK4488,Sector kanton Rechtbank Maastricht , 341962 CV EXPL 09-3355

Uitspraak: 18-11-2009

Art. 6:95 BW / art. 6:96 BW

Eiser (Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep, Zorgverzekeraar U.A.) stelt dat zij met gedaagde één of meer zorgverzekeringsovereenkomst(en) is aangegaan op grond waarvan gedaagde aan haar premie verschuldigd is conform art. 17 van de Zorgverzekeringswet. Ondanks aanmaningen heeft gedaagde premies van november en december 2006 onbetaald gelaten. Eiser vordert betaling van hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente en incassokosten. Dit laatste op grond van de volgens CZ toepasselijke voorwaarden en artikelen 6:95 en 6:96 BW. Gedaagde stelt nimmer een aanmaning te hebben ontvangen voor de gevorderde hoofdsom(men). Gedaagde stelt dat zij tussen juli 2004 en augustus 2007 “onder bewind gesteld” was in het kader van de Wsnp en dat haar bewindvoerder alle post ontving. Deze heeft haar niet op de hoogte gebracht van de schuld. Verder stelt gedaagde dat zij zelf een vordering op eiser heeft omdat zij een factuur van €998,60 wegens medische behandeling van haar dochter weigeren te vergoeden. Eiser stelt dat de nota niet betaald is omdat deze pas sinds 1 maart 2005 bij CZ is ingeschreven. Gedaagde betwist dit en stelt dat haar dochter al vanaf geboorte bij CZ is verzekerd.

De rechter oordeelt dat gedaagde in wezen geen verweer heeft gevoerd tegen de verschuldigheid van de hoofdsom en het bestaan van de overeenkomst. De hoofdsom wordt daarom toegewezen. Het aanvoeren dat CZ een bedrag aan gedaagde verschuldigd zou zijn is niet aan de orde in dit geding en zal onbesproken blijven. Op welke datum gedaagde in verzuim is geraakt wordt niet gesteld, de wettelijke rente zal derhalve vanaf de datum van dagvaarding berekend worden. De incassokosten kunnen niet aangemerkt worden als redelijke kosten in de zin van art. 6:69 lid 1 sub c BW omdat er niet is aangegeven dat gedaagde in die periode in verzuim is geweest. Tevens kunnen de kosten niet op grond van de voorwaarden worden toegewezen omdat deze voorwaarden niet zijn overgelegd.

 

Dwangsommen

LJN: BK3697,Voorzieningenrechter Rechtbank Dordrecht , 83205 / KG ZA 09-223

Uitspraak: 19-11-2009

De Burgemeester en Wethouders van Gemeente Dordrecht (gedaagde) hebben eiser op 12 oktober 2006 gelast om voor 15 november 2006 twee containers en twee gasflessenhouders van het woonwagencentrum te verwijderen en verwijderd te houden onder laste van een dwangsom. Hier tegen is geen bezwaar of beroep ingediend waardoor de beschikking onherroepelijk is geworden. De twee gasflessenhouders zijn verwijderd. Op de twee containers is de dwangsom opgelopen tot het maximale bedrag. De gemeente heeft eiser hierover meegedeeld en verzocht om deze binnen 2 weken te voldoen. Dit heeft niet plaatsgevonden. De gemeente is overgegaan tot toepassing van een bestuursdwang op e woonwagenlocatie en hebben een compromis gesloten met betrekking tot een witte container. De eiser heeft zich niet verzet tegen dit dwangbevel. Eiser stelt dat hij ongelijk behandeld is en dat de dwangsommen alleen bij hem worden ingevorderd. De Gemeente stelt dat er nog een ander bewoner is, maar deze heeft nadat de dwangsommen tot €6.000,-- waren opgelopen de goederen verwijderd. Eiser heeft een deel van het bedrag, via de deurwaarder, in mindering op de verbeurde dwangsommen voldaan. Eiser vordert in kort geding de Gemeente te veroordelen om terstond na betekening van dit vonnis de executie wegens beweerdelijke verbeurde dwangsommen te staken en gestaakt te houden.

De rechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft in de vordering, dit doet echte niet af dat deze vordering al een aantal jaren loopt en eiser niet eerder actie heeft ondernomen. Eiser heeft zich niet tegen de dwangsombeschikking verzet, hiermee is gegeven dat eiser € 20.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd en dat de Gemeente bevoegd is om deze in te vorderen. De stelling dat eiser ongelijk is behandeld resteert. De rechter oordeelt dat de gemeente genoeg bewijs heeft geleverd om deze stelling tegen te gaan. De vordering wordt afgewezen.

 

Executoriaal derdenbeslag

LJN: BK3544, Rechtbank Amsterdam , 443021 / KG ZA 09-2466

Uitspraak: 16-11-2009

Art. 475b – 475g Rv

Eiser ontvangt in het kader van een pensioenregeling een uitkering van de Stichting Algemeen Pensioenfonds KLM en is tevens gerechtigd tot een gedeeltelijke WAO-uitkering. International Card Services B.V. (Gedaagde) (ICS) heeft op kracht van een verstekvonnis ten laste van de eiser een executoriaal derdenbeslag gelegd onder het pensioenfonds, voor een vordering van € 8.573,75. De beslagleggende gerechtsdeurwaarder heeft aan het pensioenfonds meegedeeld dat de beslagvrije voet hiervoor op € 1.248,32 per maand werd vastgesteld. De gerechtdeurwaarder heeft als gemachtigde ter incasso voor ICS aan eiser meegedeeld dat haar cliente geen genoegen neemt met non-betaling, zodat andere executiemaatregelen verwacht kunnen worden. ISC legt tevens executoriaal derdenbeslag ten laste van eiser onder de ING op een bedrag van € 1.613,72, het gehele bedrag van de rekening. Eiser vordert primair om ISC te veroordelen het beslag onder ING op te heffen en subsidiair het beslag op te heffen tot € 1.248,32, het bedrag van de beslagvrije voet. Eiser stelt dat ICS misbruik van recht maakt door beslag op zijn bankrekeningen te leggen en tot overwinning te gaan van het volledige op de bankrekening staande saldo. Eiser stelt dat ICS wist of behoorde te weten dat zij met beslag alleen de uitkering zouden treffen. Tevens stelt eiser dat ICS beslag heeft gelegd onder ING om geen rekening te hoeven houden met de beslagvrije voet. Gedaagde stelt dat het geld op de bankrekening niet langer het karakter heeft van een vordering tot betaling van een periodieke uitkering waarop een beslagvrije voet is verbonden, zij is daarom bevoegd om vermogensbestanddeel volledig te overwinnen.

De rechter oordeelt dat de vraag hier is of ICS onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op de bankrekening van eiser en zich te verhalen op het volledige daarop aanwezige saldo. Vooropgesteld wordt dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het saldo op de bankrekening, dat door beslag getroffen is, geheel of vrijwel geheel de uitkering betreft. ICS heeft tevens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser ook over ander inkomsten beschikt. Artikelen 475b tot 475g Rv duiden dat de schuldenaar die beslag op inkomen moet dulden nog juist voldoende overhoudt voor de lopende kosten van het bestaan en niet tot de bedelstaf zal vervallen. Hierdoor kan er geen geldig beslag worden gelegd op de beslagvrije voet. De uitkering dat de eiser gewoonlijk per maand ontvangt ligt onder de beslagvrije voet, met als gevolg dat ICS feitelijk niet of nauwelijks haar vordering kan verhalen door middel van beslag onder het pensioenfonds. De wet verbind aan beslag onder ING geen beslagvrije voet, maar dit betekent niet dat schuldeiser geen rekening hoeft te geven aan de omstandigheid dat met beslag juist dat inkomen dat de schuldenaar nodig heeft voor de noodzakelijke kosten van zijn bestaan. Eiser heeft eenmalig een hogere uitkering ontvangen, wat een bedrag boven de beslagvrije voet betreft, hierdoor wordt overwogen dat ICS niet gehouden is het beslag onder de ING volledig op te heffen, het primair gevorderde wordt hiermee afgewezen. Het subsidiair gevorderde zal wel worden toegewezen. Het beslag zal worden tot het bedrag waarop het banksaldo de beslagvrije voet niet overschrijdt. De rechter oordeelt hier verder bij dat beslaglegging op de bankrekening niet kan worden herhaald zolang eiser alleen zijn uitkering hierop ontvangt.

 

Schadevergoeding ontbinding arbeidsovereenkomst

LJN: BK3087,Sector kanton Rechtbank Utrecht , 610687 AC EXPL 09-221 LH

Uitspraak: 18-11-2009

Art. 7:676 BW/ art. 7:611 BW

Eiser is van 1 mei tot 27 juni 2008 in dienst geweest bij Torex Retail B.V. (gedaagde). Eiser is in dienst getreden voor onbepaalde tijd, met een proeftijd van 2 maanden. Torex heeft binnen deze 2 maanden de arbeidsovereenkomst beëindigd, omdat zij eiser voor de functie ongeschikt vond. Eiser heeft naar aanleiding hiervan aanspraak gemaakt op een schadevergoeding ter hoogte van 2 maanden. Torex was niet bereid om dit te betalen. Eiser vordert de veroordeling van Torex tot betaling van de schadevergoeding. Eiser stelt dat Torex heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door tot op het laatste moment van de proeftijd te wachten met beëindiging van de arbeidsovereenkomst en doordat zij hem niet eerder heeft meegedeeld dat zijn functioneren volgens haar te wensen over liet. Eiser meent verder wel geschikt te zijn voor de functie maar was afhankelijk van collega’s, die geen medewerking verleende. Verder voert eiser dat Torex de verwachting had gewekt dat hij na afloop van proeftijd in dienst zou blijven, voor ontslag had Torex hem verzocht om een maandtrajectkaart voor het openbaar vervoer voor de maand juli aan te schaffen. Hij is nu een alleenstaande ouder, die plotseling werkloos is geworden. Gedaagde betwist zich niet als goed werkgever te hebben gehandeld. Torex stelt voldoende ondersteuning en begeleiding te hebben gegeven, desondanks is eiser niet geschikt voor de functie. Het verrichten van calculaties was niet voldoende nauwgezet, hij kwam meerdere malen te laat en haalde deze tijd niet in.

De rechter oordeelt dat Torex in beginsel, ingevolge art. 7:676 BW bevoegd is om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijk ingang op te zeggen. Ontslag tijdens de proeftijd kan leiden tot schadeplichtigheid indien daarbij in strijd met goed werkgeverschap is gehandeld. (art. 7:611 BW) De rechter volgt eiser niet dat Torex het vertrouwen heeft gewekt dat hij na afloop va de proeftijd in dienst zou blijven. Tevens stelt de rechter dat Torex de gehele 2 maanden gebruik kon maken van de proeftijd. De werkgever wordt schadeplichtig, indien hij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van de werkgever bij de opzegging en het belang van de werknemer dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen. Er is slechts bij bijzondere gevallen sprake van schadeplichtigheid. De rechter oordeelt dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich hier niet hebben voorgedaan, zodat Torex de vrijheid moet worden gelaten de geschiktheid van eiser te beoordelen. Torex heeft de vrijheid om de houding van de werknemer te beoordelen die hij, zonder inmenging van anderen,ten toon spreidde. De vordering van de eiser wordt hiermee afgewezen.   

 

Vordering betaling factuur

LJN: BK3825, Rechtbank Rotterdam , 333537 / HA ZA 09-1752

Uitspraak: 18-11-2009

Anyone Trading (gedaagde) heeft begin 2009 fietsen en fietsonderdelen gekocht in China en in 4 containers laten verzenden naar Rotterdam. Anyone heeft BDP Netherlands B.V. (eiser) de opdracht gegeven om een aantal logistieke werkzaamheden uit te voeren. Zij zouden twee containers rechtstreeks naar De Meern transporteren en de andere twee containers zouden eerst uitgepakt worden op pallets geplaatst worden en dan eveneens naar De Meern getransporteerd worden. BDP heeft een offerte voor deze werkzaamheden uitgebracht, en Anyone is hiermee akkoord gegaan. BDP heeft deze werkzaamheden uitgevoerd en een factuur aan Anyone verstuurd. Deze factuur is onbetaald gebleven. Verder stelt BDP dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst. Anyone heeft de factuur niet binnen 4 weken betwist. Volgens artikel 23 lid 1 tweede alinea van de Fenex-voorwaarden is BDP vrij om de vordering dan voor te leggen aan de rechter in de vestigingsplaats van de expediteur, Rotterdam. De rechtbank Rotterdam is hierom bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Anyone vordert dat de Rechtbank Rotterdam zich onbevoegd zal verklaren. Anyone voert aan dat art. 23 lid 1 van de Fenex-voorwaarden niet van toepassing is omdat BDP is aan te merken als vervoerder en niet als expediteur. Anyone stelt dat BDP niet uitdrukkelijk heeft aangegeven dat op haar vervoersactiviteiten Fenex-voorwaarden van toepassing zijn. Deze zijn daarom ook niet van toepassing op de gesloten overeenkomst. Volgens art. 99 Rv is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd om kennis te nemen van de vordering.

De rechter oordeelt dat volgens de Fenex-voorwaarden de rechter in Rotterdam bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. Art. 108 lid Rv stelt dat een andere rechter dan in de wet voorgeschreven bevoegd kan zijn als dit in de overeenkomst is opgenomen, dit is hier het geval. Daarnaast moet nog worden gekeken of er op geschrift staat dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn geworden op de overeenkomst. Om dit plaats te laten vinden moeten de algemene voorwaarden worden voorgesteld door de gebruiker en door de wederpartij worden aanvaard. Onder aan de mail met offerte staat de Fenex-voorwaarden op al hun activiteiten van toepassing zijn. Anyone heeft telefonisch ingestemd met de offerte. Hiermee wordt tevens geacht dat Anyone (stilzwijgend) de voorwaarden aanvaard te hebben. Rechter is daarom van oordeel dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn en daarmee ook art. 23 lid 1 van deze voorwaarden. Voor de beoordeling van de betaling zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord door Anyone.

 

Betaling van overwerk tijdens arbeidsongeschiktheid

LJN: BK3094, Rechtbank Utrecht , 612878 AC EXPL 09-574 LH

Uitspraak: 18-11-2009

Eiser is sinds 1 augustus 1976 in dienst van gedaagde. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 40 uur per week. Eiser heeft structureel overgewerkt van februari 2007 tot februari 2008, maandelijks was dit gemiddeld 25.5 uur, dit werd vergoed op basis van 125% van de basisloon. Voor deze arbeidsovereenkomst is de CAO metalelektro van toepassing. In art. 6.4 lid 1 van deze voorwaarden  is opgenomen dat de werkgever verplicht is aan de arbeidsongeschikte werknemer die geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering, gedurende eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid een aanvulling op het wettelijke verplichte loon te verstrekken ter hoogte van het verschil tussen het wettelijk verplichte loon en 100% van het volledige Ziektewetdagloon. Voor 2008 heeft gedaagde een bonusregeling vastgesteld, in gevolge de werknemer die op 30 november 2008 over dat jaar ‘bij een fulltime dienstverband en volledig gewerkt jaar’, recht hebben op €960,- netto. Hiervoor geldt een korting van €30,- per dag dat niet is gewerkt. De eerste twee dagen van ziekte worden niet gerekend. Eiser is op 25 februari 2008 uitgevallen wegens een aneurysma. Voordat eiser ziek werd was de helft van zijn taken pakket overgenomen door een andere werknemer, eiser zou aanvullende andere werkzaamheden gaan verrichten. In de loop van 2008 heeft eiser zijn werkzaamheden deels hervat. Werkgever heeft hem vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid geen vergoeding voor overwerk meer betaald. Eiser vordert veroordeling van gedaagde om aan hem vanaf begin maart 2008 tot het einde van zijn arbeidsongeschiktheid, het salaris over de gemiddeld gewerkte overuren te betalen, alsmede aan hem te voldoen de bonus over 2008. Eiser stelt dat hij ingevolge art. 7:629 jo 628 lid 3 BW dat hij tijdens zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op doorbetaling van loon, met inbegrip van de gemiddelde overwerkvergoeding die hij in het jaar daarvoor heeft ontvangen. Ingevolge art. 7:610b BW is er volgens eiser het rechtsvermoeden dat hij zou blijven overwerken welke taken hij ook zou hebben verricht. Tevens stelt hij dat er een ongerechtvaardigd onderscheid tussen gezonde en zieke mensen is gemaakt met betrekking tot de bonusregeling. Gedaagde stelt dat bij loondoorbetaling bij ziekte alleen rekening gehouden hoeft te worden met het bedrag dat werknemer anders ontvangen zou hebben. Aangezien eiser een ander taken pakket heeft ontvangen voordat hij ziek werd, zou hij niet meer hebben overgewerkt. Tevens is er door de economische recessie geen tot amper overwerk verricht. Als het zou worden toegewezen zou hij worden bevooroordeeld boven zijn niet-zieke collega’s. Verder komt eiser op grond van bonusregeling geen bonus over 2008 toe.

De rechter oordeelt dat eiser op grond van de CAO geen overwerk uren kan vorderen. De in de CAO opgenomen dagloon houdt geen rekening met overwerk. Ook op basis van art. 7:629 jo 628 lid 3 BW kan de vordering voor overwerkvergoeding niet worden toegewezen. Doorslaggevend hier was dat gedaagde voldoende heeft gemotiveerd dat als werknemer niet ziek was geweest hij ook geen overuren had gemaakt, dus hij heeft nu ook geen recht om tijdens ziekte alsnog vergoeding voor overuren te ontvangen. Het eerste deel van de vordering wordt hiermee afgewezen. Ook het tweede deel van de vordering wordt afgewezen. Zoals duidelijk in de tekst van de bonusregeling staat is de bonus gekoppeld aan de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. Een totaal van 32 niet gewerkte dagen leidt tot een nihil bedrag van de te ontvangen bonus. Eiser heeft meer dan 32 dagen niet gewerkt en heeft daarom geen recht op de bonus over 2008. De bonusregeling is niet in strijd met de wet of een andere hogere regeling waarvan gedaagde niet kon afwijken. Het onderscheid tussen zieke en gezonde werknemers is gerechtvaardigd. Zieke werknemers maken immers een minder groot deel uit van het bedrijfsresultaat.