• Jan Duikerweg 5 • 1703 DH • Heerhugowaard
  • 072 7529484

Ontbinding arbeidsovereenkomst

LJN: BK3124,Sector kanton Rechtbank Utrecht , 612330 UC EXPL 09-1135 LH

Uitspraak: 11-11-2009

Art. 16 WW / art. 7:672 BW

Geopposeerde 1 is op 1 juli 2003 in dienst getreden bij SHL Nederland B.V.. Geopposeerde 2 is op 1 april 2004 in dienst getreden bij SHL. Ten gevolge van reorganisatie zijn de posities van de geopposeerden per 1 juli 2008 komen vervallen. Nadat geen overeenstemming bereikt kon worden over de beëindigingovereenkomsten heeft SHL de rechter om ontbinding verzocht. Voorafgaand aan de geplande zitting was uiteindelijke wel een akkoord bereikt. Geopposeerde stelde echter een rechterlijke ontbindingsbeschikking op prijs. SHL heeft hiervoor op verzoek van de kantonrechter een gewijzigde ontbindingsverzoek met daarin de nieuwe overeengekomen vergoedingen ingediend. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomsten per 22 juli 2008 ontbinden, bijna een maand na de overeengekomen datum. Geopposeerde hadden een aanvraag voor een werkeloosheidsuitkering bij het UWV ingediend, deze weigert echter om voor 1 september 2008 een uitkering toe te kennen. Geopposeerde vorderen betaling van hun loon over juli 2008 wegens misgelopen WW. Zij stellen dat SHL had nagelaten om de beëindigingovereenkomsten ondertekend te retourneren. UWV eiste een kopie hiervan en deze konden zij niet leveren. Tevens stellen zij dat SHL heeft verzuimd tijdig nieuwe verzoekschriften bij de rechter in te dienen nadat begin juni akkoord was bereikt, zodat 1 juli ontbinding plaats had kunnen vinden. SHL dat zij geen loon verschuldigd is na 1 juli 2008 en dat zij wordt ontheven van de bij verstek tegen haar uitgesproken veroordeling. Tevens stelt zij dat bij wederzijdse goedkeuring de arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2008 ontbonden waren en dat deze niet afhankelijk waren gesteld van rechterlijke goedkeuring. Alleen na verzoeken van de gemachtigde van geopposeerden voor de betaling van de vergoedingen een executoriale titel wenste. Tevens stelt SHL dat zij zich jegens het UWV niet nadrukkelijk in het standpunt hebben gesteld dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2008 ontbonden was en dat zij geen bezwaar hebben ingediend tegen de uitspraak van het UWV. In voorwaardelijke reconventie eist SHL dat terugbetaling van het bedrag dat zij ter voldoening van het verstekvonnis aan geopposeerde heeft voldaan.

De rechter volgt de geopposeerden niet in het feit dat SHL heeft nagelaten beëindigingsovereenkomsten ondertekend naar hen terug te sturen. Hij stelt dat een arbeidsovereenkomst een vormvrij contract is en dat deze ook met wederzijdse instemming beëindigd kan worden. Sinds er vast is komen te staan dat er 4 juni 2008 een mondeling overeenstemming is bereikt over de beëindiging, is per 1 juli 2008 een rechtsgeldig einde aan de dienstverbanden gekomen. Daarmee eindigde ook de verplichting van SHL tot loonbetaling. De rechter had daarom op 22 juli niks meer te ontbinden en heeft deze zitting voor de rechtsverhouding van de partijen ook geen gevolg gehad. De rechter stelt dat in het algemeen op een werkgever inderdaad de verplichting rust om zich het belang van zijn werknemer te trekken, in die zin dat hij ertegen dient te waken dat door zijn toedoen of nalaten de uitkerende instantie op een later tijdstip dan mogelijk een WW-uitkering wordt verleend. De rechter oordeelt dat het in dit geval echter niet tot een toewijzing van de vordering kan leiden. Hij stelt hierbij dat als een dienstbetrekking met wederzijds goedvinden is geëindigd, er in art. 7:672 BW het termijn dat de werkgever in acht moet nemen en dat de beëindigingvergoeding wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd. Gezien dit feit had het UWV per 1 augustus een WW-uitkering moeten verlenen, dat UWV anders heeft beslist kunnen zij niet aan SHL tegenwerpen. Geopposeerde hadden in bezwaar en beroep kunnen gaan, door hiervan af te zien hebben zij nagelaten hun schade te beperken. De indiendatum van het nieuwe verzoek door SHL ligt niet in verband met de ingangsdatum van de WW-uitkering. Hierbij wordt de vordering van de geopposeerde afgewezen. Het verstekvonnis kan eveneens niet tot stand blijven. De kosten hiervoor blijven echter wel voor SHL. Hierdoor blijkt SHL onverschuldigd een bedrag aan geopposeerde had voldoen. De vordering van SHL om dit terug te krijgen wordt hiermee wel toegewezen.

Weten wat uw mogelijkheden zijn? Bel ons en maak een afspraak voor een gratis kennismakingsgesprek op 072 - 7529484.