Vaststelling verkoopwaarde
LJN: BK1912, Rechtbank Dordrecht , 73475 / HA RK 07-2077
Uitspraak: 28-10-2009
Art. 10 t/m 20 Wet Voorkeursrecht gemeenten
Verzoeker is eigenaar van 2 perceelgedeelten landbouwgrond, hierop is door gemeente en voorkeursrecht gevestigd. Verzoeker heeft perceelgedeelten aan de gemeente te koop aangeboden, maar zij konden het niet eens worden over de prijs. De rechtbank heeft op 15 februari 2006 een deskundige benoemd om een prijsadvies te geven. Op 28 augustus 2007 geeft de deskundige een gezamenlijk prijsadvies voor de twee perceelgedeelten ten hoogte van €1.328.200,--. Verzoeker had hierop rechtbank verzocht om een oordeel te geven over het prijsadvies. Een deskundige taxeert de verkoopwaarde op €1.488.500,--. Er heeft tot op heden nog geen verkoop plaatsgevonden. Verzoeker stelt dat een redelijk termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden op grond waarvan verzoeker schadevergoeding claimt. Verzoeker verzoekt op deze gronden: vast te stellen dat de procedure in art. 10 t/m 20 Wvg niet voldoet aan de eisen van een effectief rechtsmiddel, omdat geen hoger beroep mogelijk is en de Staat als belanghebbende toe te laten omdat zij jegens verzoeker schadeplichtig is. Tevens stelt hij dat de objectiviteit en onafhankelijkheid voor hem niet te controleren zijn. Hij wil iemand die in de afgelopen jaren geen opdrachten voor de gemeente heeft uitgevoerd. Verzoeker stelt dat er sinds de laatste taxatie belangrijke nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, zodat ander onderzoek moet plaatsvinden, bij voorkeur door drie deskundigen. De verweerder verzoekt eveneens een andere opdracht te verlenen teneinde de actuele grondwaarde vast te stellen.
De rechter oordeelt dat enkele het feit dat er geen hoger beroep mogelijk is onvoldoende is om te oordelen dat de procedure niet voldoet aan de eisen die art. 6 EVRM aan een behoorlijke procedure stelt. Het staat niet vast dat de Staat verantwoordelijk is voor de lange duur van de procedure evenmin dat de verzoeker hier nadeel mee heeft ondervonden. Dit verzoek moet dus worden afgewezen. Een deskundige van de rechtbank dient terzake deskundige te zijn en vrij te staan ten opzichte van de partijen. De rechter stelt dat een deskundige door de griffier hierover ook ondervraagt wordt. De verzoeker vraagt om een integriteitonderzoek, maar de rechter acht dat deze eisen te ver gaan. Beiden partijen wensen een actualisering van de vastgestelde waarde. Dit verzoek wordt toegewezen, omdat de feitelijke situatie inmiddels is veranderd.
Weten wat uw mogelijkheden zijn? Bel ons en maak een afspraak voor een gratis kennismakingsgesprek op 072 - 7529484.
