• Jan Duikerweg 5 • 1703 DH • Heerhugowaard
  • 072 7529484

Jurisprudentie week 35

Verbintenisrecht, cashback-actie

 HR 10 juli 2009, BI3408, 07/11078, 07/11079 en 07/11082

 Art. 6:193-196 BW; 7:17 BW

De keukenleverancier Interkeukengilde, alsmede vier andere keukenleveranciers hebben in de periode 27 maart 1996 tot 29 juni 1996 een verkoopactie uitgevoerd waarbij hun klanten middels de “cashback bonuscheque” na een periode van vijf jaar het aankoopbedrag tot een maximum van NLG 30.000,- terug zouden krijgen, mits ze aan de voorwaarden van de “cashback bonuscheque” zouden voldoen.  

Tot op heden heeft geen van de klanten enige vergoeding ontvangen. De voornaamste reden hiervoor is dat de financier van de actie “All State Acceptance Corporation” haar betalingsverplichtingen niet meer kan nakomen.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de kopers recht hebben op terugbetaling van de aankoopsom van een door hen aangeschafte keuken via de “cashback bonuscheque-regeling”.    

 De rechtbank en het gerechtshof hebben de vorderingen van de consumenten en de consumentbond afgewezen. Tevens verwerpt de Hoge Raad in alle zaken het beroep.

 

Onrechtmatige daad; samenwerkingsovereenkomst; rekeningcourant-verhouding

HR 10 juli 2009, BI3454, 07/12646

Art. 6:162 BW

Om vakantiereizen voordelig te kunnen verkopen, besluiten VA Travel en Pubital een samenwerkingsovereenkomst op te stellen. De eigenaar van VA Travel heeft bijna een half miljoen gulden aan eigen vermogen in VA Travel gestoken, en heeft vervolgens voor de bouw van zijn huis een bedrag van de bedrijfrekening laten afschrijven.

Publital is een procedure gestart tegen VA Travel wegens het plegen van een onrechtmatige daad, omdat de eigenaar geld heeft onttrokken aan het bedrijf.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Bedongen onderhoudsverplichting als tegenprestatie

 HR 10 juli 2009, BI4205, 07/11097

 Art. 7:201 lid 1 BW; 81 RO

Een autobedrijf huurt vanaf de jaren 80 een perceel van een verhuurder. Twee andere naastgelegen percelen zijn tevens door het autobedrijf in gebruik genomen, zonder dat er hier iets over in het huurcontract vermeld stond.

Nu de percelen door de verhuurder verkocht zijn, eist deze dat de twee genoemde percelen worden ontruimd. Het autobedrijf stelt dat er een onderhoudsverplichting als tegenprestatie voor de huur van de twee percelen zou zijn ( artikel 7:201 lid 1 BW ). Er zou dus een huurovereenkomst tot stand zijn gekomen die niet zomaar kan worden opgezegd.

De voorzieningenrechter en het hof wijzen de argumentatie van het autobedrijf af, waarna het autobedrijf in hoger beroep gaat. Dit hogere beroep is echter afgewezen.

  

Faillissementsrecht

HR 26 juni 2009, BI0388, 08/05259

Art. 81 RO

Op 12 februari 2004 is betrokkene door de rechtbank Alkmaar als failliet verklaard. Verschillende schuldeisers hebben een verzetschrift ingediend tegen de gedeponeerde slotuidelingslijst in het faillissement en tegen de in hun ogen vereenvoudigde afwikkeling van dit faillissement.

In eerste instantie heeft de rechtbank bij een tussenbeschikking van 18 maart 2008 geoordeeld om de beslissing op verzet voorlig aan te houden; een verslag van de curator en schriftelijk rapport van de rechter-commissaris zal uitsluitsel geven.

Bij de eindbeschikking van 11 december 2008 heeft de rechtbank het verzet van de schuldeisers ongegrond verklaard.

Deze aangevoerde klachten kunnen tevens niet tot cassatie leiden.

  

Vertegenwoordigingsbevoegdheid, volmacht

HR 26 juni 2009, BH9284, 07/11791

Art. 3:70 BW, 6:162 BW

Voor de verkoop van hun pand, hebben twee broers gebruik gemaakt van de diensten van Makelaardijk Sneek. De bepaling dat de makelaar als gevolmachtigde optreed namens de cliënt, is in de opdrachtbevestiging doorgehaald.

Een potentiële koper heeft een bod uitgebracht op het pand, welke werd toegewezen door een medewerker van Makelaardijk Sneek. De twee broers weigerden echter het contract te ondertekenen.        

De koper heeft in een kort geding geëist dat de broers tot nakoming van de volgens hem gesloten overeenkomst zouden komen. Deze eis is echter door de voorzieningenrechter geweigerd.

Vervolgens heeft de eiser Makelaardij Sneek verantwoordelijk gesteld voor het betalen van een schadevergoeding primair op basis van 3:70 BW en subsidiair op basis van 6:162 BW.

De rechtbank veroordeelde Makelaardij Sneek in eerste instantie tot schadevergoeding; het hof vernietigde echter deze vonnissen en wees de vordering alsnog af. Er werd voorop gesteld dat een opdracht voor een makelaar bij bemiddeling van de verkoop van een pand, geen volmacht inhoudt tot het sluiten van een koopovereenkomst. Hierbij wordt tevens niet de schijn gewekt dat de makelaar een  gevolmachtigde partij is, mits er feiten en/of omstandigheden zijn die de schijn wekken dat de makelaar wel een gevolmachtigde partij is.

In deze zaak zijn er geen feiten en/of omstandigheden geconstateerd waaruit blijkt dat makelaardij Sneek de schijn heeft gewekt dat zij door haar opdrachtgevers de verantwoordelijkheid is gegeven om een daadwerkelijke koop te sluiten.

In het hogere beroep stelt de eiser dat het hof wellicht ontrecht geoordeeld zou hebben m.b.t. tot het niet optreden van Makelaardijk Sneek als gevolmachtigde en dat het hof heeft verzuimd de subsidiaire grondslag te onderzoeken.  

De Hoge Raad is echter van mening dat het hof correct heeft geoordeeld over de niet-gevolgmachtigde positie van de makelaar, aangezien er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat, hoewel het hof niet uitgebreid in is gegaan op de subsidiaire grondslag, deze tevens te verwerpen is.

Hierom verwerpt de Hoge Raad het beroep.

  

 Uitleg van koopovereenkomst

HR 26 juni 2009, BI0067, 07/11610

Art. 81 RO

De eiser heeft met de verweerder een koopovereenkomst gesloten waarbij de eiser een Ferrari van E 213.478,- van verweerder koopt. De eiser zal deze prijs voldoen door een partij bloembollen en verkoopcontracten die hierbij horen aan de verweerder te leveren.

De verweerder eist dat de koopsom van E 213.478,- wordt voldaan door de eiser, aangezien de opbrengst van de verkochte bloembollen nihil is.

De rechtbank wijst deze vordering toe en het hof beaamt dit. De klachten die in het hogere beroep worden aangedragen, hebben niet geleid tot cassatie.

 

Arbeidsrecht; CAO; compensatieregeling feestdagen; uitleg

HR 12 juni 2009, BH4062, 07/11209

Art. 79 RO; 81 RO

De gedaagde is werknemer geweest van een busvervoersmaatschappij, waarbij cao voor besloten busvervoer van toepassing is.