Betaling factuur
LJN: BK3898,Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch , 640101
Uitspraak: 12-11-2009
Eiseres (De Telefoongids B.V.) vordert betaling van € 2.155,09 vermeerderd met € 330,88 wegens vervallen vertragingsrente en € 300 wegens buitengerechtelijke kosten. Deze kosten zijn door eiseres gemaakt wegens een of meer opdrachten van gedaagde om door eiseres advertenties te laten plaatsen. Gedaagde stelt dat factuur op de verkeerde naam stond en daarom op de verkeerde plaats terecht zijn gekomen en de betalingen daardoor zijn vertraagd. Tevens stelt gedaagde dat zij inmiddels € 1.051,22 heeft betaald en eist een factuur voor het restant op de juiste naam. Eiseres stelt dat gedaagde dit bedrag inderdaad na dagvaarding heeft betaald en brengt dit in vermindering op haar vordering. Verder stelt eiseres dat de overeenkomst op naam van de persoon aan wie de factuur verzonden is staat, en dit kan niet zomaar gewijzigd worden.
De rechter is van oordeel dat de gedaagde onvoldoende heeft bewezen wat en waarom de eiseres fout gedaan zou hebben met facturering. Het verweer moet dus worden afgewezen, en de vordering met uitzondering op de vervallen vertragingsrente wordt toegewezen. De rechter stelt dat de eiseres de vordering niet heeft gewijzigd na de deelbetaling en er niet kan worden vastgesteld over welk bedrag en vanaf welke datum vertragingsrente verschuldigd is.
Vordering tot betaling
LJN: BK3926,Sector kanton Rechtbank Maastricht , 344674 cv expl 09-3701
Uitspraak: 11-11-2009
Ziggo en gedaagde hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan Ziggo tegen betaling aan gedaagde internet- en/of telefoondiensten heeft geleverd aan het toenmalige adres van gedaagde. De overeenkomst is door Ziggo beëindigd nadat betalingen niet plaatsvonden. Gedaagde is tot aan augustus 2008 een bedrag van € 159,83 aan Ziggo verschuldigd. Gedaagde heeft dit uiteindelijk na vele aanmaningen en incassoberichten in maart 2009 voldaan. Ziggo heeft dit bedrag conform de algemene voorwaarden in vermindering gebracht op de hoofdsom slechts nadat de wettelijke rente van € 7,58 en incassokosten ter hoogte van €37,00 hiervan afgetrokken waren. Hiermee vordert Ziggo betaling van het resterende bedrag ter hoogte van € 44,57.
De rechter oordeelt dat Ziggo de wettelijke rente gebaseerd heeft op de volgens haar toepasselijke voorwaarden. Ziggo heeft deze voorwaarden echter niet overlegd. Tevens stelt Ziggo niet dat en waarom op grond van die voorwaarden verzuim is ingetreden. Ook is er geen concrete verzuimdatum genoemd, waarop de wettelijke rente van toepassing is. Deze wordt dan ook tot 1 juli 2009 afgewezen. Wel staat vast dat gedaagde vanaf 23 juli 2009 in verzuim is, dit is de dag van dagvaarding. Aangezien Ziggo wettelijke rente vanaf 1 juli 2009 vordert, over een bedrag van € 0,00 is er geen aanleiding om gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente. De incassokosten worden eveneens afgewezen. De incassokosten zijn over een periode waarin niet is komen vast te staan dat gedaagde in verzuim was.
Huurachterstand
LJN: BK3907,Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch , 633475
Uitspraak: 12-11-2009
Art. 6:109 BW
Eiseres (Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl) vordert van gedaagde betaling van huurachterstand tot en met September 2009, verhoogd met buitengerechtelijke incassokosten en vertragingsrente. De gedaagden betwisten de hoofdsom niet en stellen per saldo op 8 oktober 2009 de huur te gaan voldoen van september en oktober 2009. Zij verzoeken tevens een betalingsregeling voor de proceskosten, dit was eerder door eiseres afgewezen.
De rechter oordeelt dat omdat betalingsbewijzen van de door gedaagde in het vooruitzicht gestelde betalingen ontbreken de hoofdsom wordt toegewezen. Dit geldt ook voor de vertragingsrente. De buitengerechtelijke incassokosten worden echter niet toegewezen omdat er niet gesteld is dat deze werkzaamheden zijn verricht en dat een vergoeding daarvan, bovenop de door gedaagde te betalen proceskosten, gerechtvaardigd is. De rechter wijst daarom op basis van art. 6:109 BW dat gedaagde proceskosten in 3 maandelijkse termijnen dienen te betalen.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
LJN: BK3557,Sector kanton Rechtbank Assen , 263499 \ EJ VERZ 09-5511
Uitspraak: 12-11-2009
Werknemer (verweerder) is sinds 1 december 1983 in dienst bij Ucosan B.V. (verzoekster). Ucosan stelt dat er diverse ontwikkelingen zijn geweest in de partijverhouding vanaf begin 2009 die hebben geleid tot een wijziging in de omstandigheden die van de aard zie dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dient te beëindigen. Verzoekster stelt dat er een reorganisatie heeft plaatsgevonden binnen de concern, waarbij werkneemster een nieuwe functie en inhoud zou krijgen, echter vond Ucosan werkneemster hier onvoldoende gekwalificeerd voor de nieuwe functie. Er zijn andere functies aangeboden, maar werkneemster heeft deze afgewezen. Deskundige advies stelt dat werkneemster wel in staat is om de functie te vervullen. Werkneemster is hierbij opnieuw ingesteld, maar zij was niet meer toe bereid, zodat geen andere uitkomst overblijft dan het beëindigen van de overeenkomst onder toekenning van een vergoeding. Verzoekster stelt verder dat het in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd is dat de werkneemster zich afsluit van herstel van de verhoudingen en van voortgezette samenwerking. Verweerster stelt ten onrechte niet benoemd te zijn in de gewijzigde positie. Ucosan gaf als reden dat dit was omdat zij niet gestructureerd zou zijn in haar werk, welke kritiek haar nooit eerder was aangegeven. De aangeboden functies sloten niet aan bij haar ervaringen en capaciteiten. Zij is van mening dat de reeds ontstane breuk tussen partijen niet meer te herstellen is en dat de breuk is ontstaan door handelen van Ucosan. Verweerster vraagt om ontbinding onder vergoeding met correctiefactor twee.
De rechter stelt als eerste dat er geen bestaan is van het opzegverbod dus dat de zaak behandeld zal worden. De rechter oordeelt dat er geen verdere samenwerking mogelijk is. Er is een zodanige verandering dat ontbinding op korte termijn mogelijk is. De rechter ontbind de overeenkomst per 1 december 2009. De rechter oordeelt verder dat de verstoorde verhouding met name aan het handelen van Ucosan te wijten is. De werkgever dient te onderbouwen waarom een werknemer niet geschikt is voor een functie, dit is niet gebeurd. Omdat verstoorde verhouding aan Ucosan te wijten is wijst de rechter een hogere vergoeding toe met een correctiefactor van 1,5.
Ontbinding arbeidsovereenkomst
LJN: BK3124,Sector kanton Rechtbank Utrecht , 612330 UC EXPL 09-1135 LH
Uitspraak: 11-11-2009
Art. 16 WW / art. 7:672 BW
Geopposeerde 1 is op 1 juli 2003 in dienst getreden bij SHL Nederland B.V.. Geopposeerde 2 is op 1 april 2004 in dienst getreden bij SHL. Ten gevolge van reorganisatie zijn de posities van de geopposeerden per 1 juli 2008 komen vervallen. Nadat geen overeenstemming bereikt kon worden over de beëindigingovereenkomsten heeft SHL de rechter om ontbinding verzocht. Voorafgaand aan de geplande zitting was uiteindelijke wel een akkoord bereikt. Geopposeerde stelde echter een rechterlijke ontbindingsbeschikking op prijs. SHL heeft hiervoor op verzoek van de kantonrechter een gewijzigde ontbindingsverzoek met daarin de nieuwe overeengekomen vergoedingen ingediend. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomsten per 22 juli 2008 ontbinden, bijna een maand na de overeengekomen datum. Geopposeerde hadden een aanvraag voor een werkeloosheidsuitkering bij het UWV ingediend, deze weigert echter om voor 1 september 2008 een uitkering toe te kennen. Geopposeerde vorderen betaling van hun loon over juli 2008 wegens misgelopen WW. Zij stellen dat SHL had nagelaten om de beëindigingovereenkomsten ondertekend te retourneren. UWV eiste een kopie hiervan en deze konden zij niet leveren. Tevens stellen zij dat SHL heeft verzuimd tijdig nieuwe verzoekschriften bij de rechter in te dienen nadat begin juni akkoord was bereikt, zodat 1 juli ontbinding plaats had kunnen vinden. SHL dat zij geen loon verschuldigd is na 1 juli 2008 en dat zij wordt ontheven van de bij verstek tegen haar uitgesproken veroordeling. Tevens stelt zij dat bij wederzijdse goedkeuring de arbeidsovereenkomsten per 1 juli 2008 ontbonden waren en dat deze niet afhankelijk waren gesteld van rechterlijke goedkeuring. Alleen na verzoeken van de gemachtigde van geopposeerden voor de betaling van de vergoedingen een executoriale titel wenste. Tevens stelt SHL dat zij zich jegens het UWV niet nadrukkelijk in het standpunt hebben gesteld dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2008 ontbonden was en dat zij geen bezwaar hebben ingediend tegen de uitspraak van het UWV. In voorwaardelijke reconventie eist SHL dat terugbetaling van het bedrag dat zij ter voldoening van het verstekvonnis aan geopposeerde heeft voldaan.
De rechter volgt de geopposeerden niet in het feit dat SHL heeft nagelaten beëindigingsovereenkomsten ondertekend naar hen terug te sturen. Hij stelt dat een arbeidsovereenkomst een vormvrij contract is en dat deze ook met wederzijdse instemming beëindigd kan worden. Sinds er vast is komen te staan dat er 4 juni 2008 een mondeling overeenstemming is bereikt over de beëindiging, is per 1 juli 2008 een rechtsgeldig einde aan de dienstverbanden gekomen. Daarmee eindigde ook de verplichting van SHL tot loonbetaling. De rechter had daarom op 22 juli niks meer te ontbinden en heeft deze zitting voor de rechtsverhouding van de partijen ook geen gevolg gehad. De rechter stelt dat in het algemeen op een werkgever inderdaad de verplichting rust om zich het belang van zijn werknemer te trekken, in die zin dat hij ertegen dient te waken dat door zijn toedoen of nalaten de uitkerende instantie op een later tijdstip dan mogelijk een WW-uitkering wordt verleend. De rechter oordeelt dat het in dit geval echter niet tot een toewijzing van de vordering kan leiden. Hij stelt hierbij dat als een dienstbetrekking met wederzijds goedvinden is geëindigd, er in art. 7:672 BW het termijn dat de werkgever in acht moet nemen en dat de beëindigingvergoeding wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd. Gezien dit feit had het UWV per 1 augustus een WW-uitkering moeten verlenen, dat UWV anders heeft beslist kunnen zij niet aan SHL tegenwerpen. Geopposeerde hadden in bezwaar en beroep kunnen gaan, door hiervan af te zien hebben zij nagelaten hun schade te beperken. De indiendatum van het nieuwe verzoek door SHL ligt niet in verband met de ingangsdatum van de WW-uitkering. Hierbij wordt de vordering van de geopposeerde afgewezen. Het verstekvonnis kan eveneens niet tot stand blijven. De kosten hiervoor blijven echter wel voor SHL. Hierdoor blijkt SHL onverschuldigd een bedrag aan geopposeerde had voldoen. De vordering van SHL om dit terug te krijgen wordt hiermee wel toegewezen.
Verhuurbare vloeroppervlakte kantoorpand
LJN: BK3117, Rechtbank 's-Gravenhage , 348177 / KG ZA 09-1265
Uitspraak: 11-11-2009
Gedaagde 1 bood begin 2008 een kantoorpand te koop aan voor €2.050.000 met een verhuurbare vloeroppervlakte (vvo) van 840 m2. Eiser, bijgestaan door gedaagde 2 (makelaar), heeft op 13 februari 2008 een koopovereenkomst ondertekend. Het kantoorpand is op 23 april 2008 aan eiser geleverd. Op 16 september 2009 heeft de opvolgende makelaar van gedaagde 2 in brief aan eiser geschreven dat de verstrekte plattegrond nagemeten was en na hun inziens bleek de vvo slechts ca. 738 m2 te bedragen. Zij adviseerden eiser om het kantoorpand professioneel te laten inmeten. X had dit gemeten conform de NEN 2850 norm en berekende een vvo van 743,6 m2. Eiser heeft gedaagden hierop geattendeerd zonder het gewenste resultaat te bereiken. Gedaagde 1 had een taxatieverslag van de Gemeentelijk Belastingdienst overgelegd waarin een vvo van 826 m2 was aangegeven met als peildatum 1 januari 2005 en ingangsdatum 1 januari 2007. Op dezelfde dag ontving eiser een brief van de Gemeentelijke Belastingdienst dat de vvo opnieuw was gemeten conform NEN 2580 norm en dat de juiste vvo 751 m2 bedraagt. Eiser vordert veroordeling van gedaagden gezamenlijk, dan wel ieder voor zich, tot betaling van € 209.440, 46 bij wegen van voorschot op een nader te bepalen schadevergoeding. Hij vordert dit op basis van 11.5% minder huuropbrengst met de nieuwe vvo en een lagere verkoopopbrengst. Hij heeft het kantoorpand als beleggingsobject gekocht. Eiser stelt dat gedaagde 1 onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft door bij het opstellen van de vvo niet de zorgvuldigheid te betrachten die van hem mocht worden verwacht. Het verstrekken van onjuiste informatie is onrechtmatig. Gedaagde 2 had als deskundige moeten nagaan of het aantal vierkante meters klopte. Hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht waardoor de eiser thans schade leidt. Het pand verkeert in onverhuurde staat.
De rechter stelt ten eerste dat er ten aanzien van een geldvordering in een kort geding terughoudendheid wordt geboden. Gedaagden hebben gesteld dat er geen spoedeisend belang is bij de vordering en dat dit ook niet door de eiser gesteld noch gebleken. De rechter oordeelt echter dat er wel voldoende aannemelijk is gemaakt dat er spoedeisend belang is. Gedaagden hebben de juistheid van het meetrapport door de deskundige betwist en stellen dat er niet vast staat hoe de oppervlakte berekening tot stand gekomen is en van welke uitgangspunten is uitgegaan. Tevens stellen zij dat de gemeenschappelijke ruimtes niet zijn opgeteld aan het vvo en dat de deskundige ten onrechte van rechte hoeken is uitgegaan. De rechter oordeelt dat de berekening van het vvo onderhevig is aan marge- en interpretatieverschillen. De vvo speelt een grote rol en dient daarom vast gesteld te worden. Een derde deskundige dient te worden ingeschakeld om het vvo te berekenen en vast te stellen in hoeverre er volgens de NEN-normen dient te worden getoetst. Dit valt echter buiten het bestek van het kort geding. Dit betekent dat de vordering van eiser onvoldoende vast is komen te staan en dat er niet met grote mate verwacht wordt dat de bodemrechter haar toe zal wijzen. De rechter wijst hierbij de vordering af.
